In een eerdere procedure had de rechtbank een beslistermijn van acht weken opgelegd aan de minister voor het nemen van een besluit op de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf. Ondanks deze termijn heeft de minister niet binnen de gestelde termijn beslist, waarop eiseres opnieuw beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep aanvankelijk prematuur was omdat de dwangsom nog niet volledig verbeurd was, maar acht het beroep uiteindelijk toch ontvankelijk omdat inmiddels de dwangsom volledig is verbeurd en de minister nog steeds geen besluit heeft genomen. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het fifo-principe dat een termijn van 90 dagen voorschrijft vanaf het moment van behandeling.
De minister wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 100,- per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-, en in de proceskosten van eiseres. Eiseres wordt vrijgesteld van griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.