Eiser heeft op 25 april 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder moest binnen zes maanden beslissen, met een verlenging van negen maanden onder WBV 2023/3. Na het verstrijken van deze termijn stelde eiser verweerder op 1 augustus 2024 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van twee weken op, te rekenen vanaf de dag van verzending van de uitspraak, waarbinnen verweerder alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €7.500.
Verder krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €437,50 toegekend, omdat hij een professionele juridische hulpverlener inschakelde voor het indienen van het beroepschrift. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.