ECLI:NL:RBDHA:2024:19889
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 1 oktober 2024 waarbij de minister van Asiel en Migratie de asielaanvraag van eiser niet in behandeling nam. Dit besluit was gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, waarbij Nederland Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat door Duitsland was aanvaard.
Eiser stelde dat hij geen vertrouwen meer had in de Duitse autoriteiten vanwege eerdere afwijzingen van zijn aanvragen en vreesde indirect refoulement. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en verwees naar relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Duitsland niet aan zijn internationale verplichtingen zou voldoen.
Ook kon eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aantonen die een overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid zouden maken. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Omdat het beroep ongegrond werd verklaard, was een voorlopige voorziening niet nodig en wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.