ECLI:NL:RBDHA:2024:20222
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomen uit arbeid
Eiser ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande en is vanaf 27 september 2022 via een leer-werktraject als taxichauffeur in dienst getreden. Hoewel hij nog in opleiding was, ontving hij loon over september en oktober 2022, dat later werd uitbetaald. Het college trok de bijstand vanaf 27 september 2022 in en vorderde een deel terug.
Eiser betwistte de intrekkingsdatum en de terugvordering, stellende dat hij recht had op volledige bijstand tot het einde van zijn opleiding en dat het loon slechts op de maand van ontvangst in mindering mocht worden gebracht. De rechtbank oordeelde dat het inkomen moet worden toegerekend aan de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht, conform vaste rechtspraak en artikel 32 van Pro de Participatiewet.
Hoewel het college bij de terugvordering een belangenafweging had moeten maken, ontbrak een deugdelijke motivering in het bestreden besluit. De rechtbank paste artikel 6:22 Awb Pro toe en accepteerde de nadere toelichting van het college, waarin werd gesteld dat de terugvordering noodzakelijk en proportioneel is gezien het doel van een zorgvuldige besteding van gemeenschapsgeld en de financiële draagkracht van eiser.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de intrekking en terugvordering van de bijstand, waarbij het college het griffierecht aan eiser moet vergoeden.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering vanaf 27 september 2022 wordt bevestigd.