ECLI:NL:RBDHA:2024:20728
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven onder artikel 8 EVRM
Eisers, Syrische nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) aan om bij hun zoon/broer, de referent, in Nederland te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat volgens hem geen sprake was van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. De referent viel niet onder het jongvolwassenenbeleid omdat hij sinds 2015 in Turkije zelfstandige stappen had gezet en niet langer tot het gezin behoorde.
Eisers voerden aan dat het vertrek uit Syrië een vluchtsituatie was en dat de referent noodgedwongen noodzakelijke stappen had ondernomen om zichzelf staande te houden, waardoor het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing zou zijn. Ook stelden zij dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro onjuist was gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de referent niet onder het jongvolwassenenbeleid valt omdat hij zelfstandig woonde en werkte in Turkije en niet financieel afhankelijk was. Daarnaast was er geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden. De belangenafweging van de staatssecretaris werd niet betwist op dat punt, waardoor de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
De rechtbank wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af en concludeerde dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat er geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat tussen eisers en de referent. Het beroep werd ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag wordt ongegrond verklaard.