ECLI:NL:RBDHA:2024:20776
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier verblijf bij partner zonder MVV en vrijstelling
Eisers, allen met de Surinaamse nationaliteit, verzochten om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij een Nederlandse partner. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat deze niet tijdig was ingediend en eisers niet beschikten over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Tevens was eerder een verblijfsvergunning van eiser ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens.
Eisers voerden aan dat de aanvraag niet tijdig kon worden ingediend vanwege de COVID-19-pandemie, dat er sprake was van een duurzame relatie en dat hun gezinsleven beschermd werd door artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag terecht als een eerste toelating werd aangemerkt en dat de vrijstelling van het mvv-vereiste niet van toepassing was. De belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro viel in het nadeel van eisers uit, mede vanwege het ontbreken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten.
De rechtbank wees het verzoek om aanhouding af, omdat de eerdere intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht van kracht bleef ondanks het lopende hoger beroep. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eisers kregen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.