ECLI:NL:RBDHA:2024:20968
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Kroatië als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen. Eiser stelde dat hij in Kroatië slecht is behandeld, onder meer door detentie en dreiging met uitzetting naar Syrië, en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich afgemeld hadden. De rechtbank oordeelde dat de minister de ervaringen van eiser voldoende had betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser zijn beweringen onvoldoende had onderbouwd met documenten. De minister verwees terecht naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het vertrouwen in Kroatië bevestigt.
De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die een overdracht aan Kroatië onevenredig hard maken en dat er geen motiveringsgebrek is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijft in stand.