ECLI:NL:RBDHA:2024:21336
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen buiten-zitting-uitspraak inzake Dublin-besluit Estland ongegrond verklaard
Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak van 2 oktober 2024, waarin hun beroepen tegen de niet-behandeling van hun asielaanvragen wegens Dublin-verwijzing naar Estland buiten zitting ongegrond werden verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is en dat Estland verantwoordelijk is voor de opvang en behandeling van hun asielverzoeken.
Opposanten stelden dat de uitspraak in strijd was met artikel 8:54 Awb Pro en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer op Estland van toepassing is, mede vanwege hun ervaringen met intrekking van verblijfsvergunningen en gedwongen vertrek zonder beroepsmogelijkheid. De rechtbank overwoog dat de procedurele toepassing van artikel 8:54 Awb Pro correct was en dat de inhoudelijke gronden reeds in de eerdere uitspraak waren betrokken.
De rechtbank vond geen nieuwe feiten of argumenten die twijfel konden doen ontstaan over de eerdere beslissing. Ook verwees zij naar relevante jurisprudentie, waaronder het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de EU en recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de buiten-zitting-uitspraak inzake Dublin-verwijzing naar Estland wordt ongegrond verklaard.