ECLI:NL:RBDHA:2024:21381
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en Kroatische verantwoordelijkheid
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 22 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij eerder op 16 mei 2024 in Kroatië asiel had aangevraagd. De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eiser stelde dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege systeemfouten, pushbacks en mishandeling tijdens detentie. Hij vreesde ook belemmeringen bij het indienen van klachten.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Kroatië wordt verondersteld zijn verdragsverplichtingen na te komen. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt op een schending van zijn rechten volgens artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Zijn persoonlijke ervaring was beperkt tot één nacht verblijf in Kroatië.
Verder stelde de rechtbank dat eiser zich bij problemen in Kroatië tot de autoriteiten had moeten wenden en dat hij onvoldoende onderbouwde dat dit onmogelijk was. Ook was er geen aanleiding voor de minister om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening discretionair de aanvraag toch te behandelen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit bleef in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter H.P. Eckert en is openbaar gemaakt op 17 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.