Art. 8:81 AwbArt. 92 Vw 2000Art. 17 lid 1 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 EU Handvest
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank over niet in behandeling nemen asielaanvraag vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 5 februari 2024 het besluit om de asielaanvraag van een vreemdeling niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 28 februari 2024 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling overwoog dat de rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije reeds was beantwoord in een eerdere uitspraak van 29 februari 2024, waarop zij zich baseerde.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht geen aanleiding zag om de asielaanvraag in behandeling te nemen vanwege het ontbreken van een reëel risico op een in strijd met het EU Handvest en EVRM artikel 3 staandePro behandeling bij overdracht aan Bulgarije. Ook waren er geen bijzondere individuele omstandigheden die een overdracht van onevenredige hardheid maakten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitspraak
202401408/1/V3 en 202401408/2/V3.
Datum uitspraak: 19 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2024 in zaak nr. NL24.4396 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft de in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije, beantwoord in haar uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870. De overwegingen in die uitspraak zijn ook hier van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
2. De staatssecretaris komt in zijn tweede grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de verklaringen van de vreemdeling over mishandeling door de Bulgaarse autoriteiten en de slechte opvangvoorzieningen, geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Deze omstandigheden heeft hij namelijk al voldoende betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris verwijst hierbij terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, onder 4. Daarbij volgt uit de overweging hiervoor, in aansluiting op de uitspraak van 29 februari 2024, dat er in het algemeen geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een met artikel 4 vanPro het EU Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is er geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 februari 2024 in zaak nr. NL24.4396;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.