ECLI:NL:RBDHA:2024:21566
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening Eindhoven
Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister om per 1 januari 2025 te stoppen met het bieden van elementaire voorzieningen en begeleiding binnen de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Eindhoven. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven heeft toegezegd na deze datum zelfstandig voorzieningen te blijven aanbieden aan ongedocumenteerden, mits zij aan de toelatingscriteria voldoen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om een voorlopige voorziening alleen kan worden toegewezen indien sprake is van onverwijlde spoed, dat wil zeggen een acuut en actueel belang waarbij uitstel leidt tot onomkeerbare gevolgen. Verzoekers konden dit spoedeisend belang niet aannemelijk maken. Er is geen concreet bewijs dat het wegvallen van de LVV leidt tot onomkeerbare schade of ernstige materiële deprivatie.
Ook de stelling dat dossiers in strijd met de AVG worden overgedragen aan de minister werd niet overtuigend onderbouwd, mede omdat het college gemandateerd is om namens de minister te handelen. De voorzieningenrechter benadrukt dat de beslissing voorlopig is en verzoekers een nieuw verzoek kunnen indienen bij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat de opvang en begeleiding na 1 januari 2025 door de gemeente Eindhoven wordt voortgezet, zodat verzoekers niet verstoken zullen zijn van elementaire voorzieningen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de LVV-voorzieningen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.