ECLI:NL:RVS:2023:796
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging opvang vreemdeling op grond van Bed-Bad-Brood-Begeleiding-regeling
De vreemdeling kreeg op 3 oktober 2018 toegang tot opvang via de Bed-Bad-Brood-Begeleiding-regeling, welke op 1 maart 2019 werd omgezet in de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam besloot de opvang te beëindigen per 29 november 2019, omdat de vreemdeling geen perspectief had op rechtmatig verblijf en onvoldoende medewerking verleende aan terugkeer.
De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en vervolgens door de rechtbank Rotterdam ongegrond werd verklaard. In hoger beroep klaagde de vreemdeling onder meer over het ontbreken van een integrale toetsing en de zorgvuldigheid van het beleid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat het college geen specifieke publiekrechtelijke bevoegdheid heeft voor het verstrekken van LVV-voorzieningen en dat het beëindigen van de opvang een feitelijke handeling betreft.
De Afdeling bevestigde dat de rechtbank het beroep correct heeft beoordeeld volgens de huidige rechtspraak. De grieven van de vreemdeling werden verworpen omdat hij geen nieuwe omstandigheden aanvoerde die verlenging van de opvang zouden rechtvaardigen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de beëindiging van de opvang en verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond.