ECLI:NL:RBDHA:2024:21772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
20 december 2024
Zaaknummer
NL24.27205, NL24.27206, NL24.27208 en NL24.27209
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep in vreemdelingenzaak

Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak van 2 oktober 2024, waarin hun beroepen niet-ontvankelijk werden verklaard wegens prematuriteit van de ingebrekestellingen. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

De kern van het geschil betreft de vraag of opposanten mochten vertrouwen op de door de minister verstrekte informatie dat de beslistermijn uiterlijk op 14 juni 2024 zou verlopen. De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn bepalend is en dat een eerdere verwachting van de minister dit niet wijzigt. De ingebrekestellingen van 17 juni 2024 waren daarom prematuur.

De rechtbank volgt de door opposanten aangehaalde uitspraak niet en bevestigt dat pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn kan worden geconcludeerd dat de minister in gebreke is. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.27205, NL24.27206, NL24.27208 en NL24.27209 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant 1], V-nummer: [V-nummer 1]

[opposant 2],V-nummer: [V-nummer 2]
[opposant 3],V-nummer: [V-nummer 3]
[opposant 4],V-nummer [V-nummer 4]
Tezamen: opposanten
(gemachtigde: [naam]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 oktober 2024 in het geding tussen
opposanten
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 2 oktober 2024 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposanten hebben tegen deze uitspraak afzonderlijk verzet gedaan op 4 oktober 2024.
Opposanten hebben niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de beroepen van opposanten niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de afzonderlijk ingediende ingebrekestellingen prematuur zijn.
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposanten voeren aan dat zij er op grond van de door de minister verstrekte informatie op mochten vertrouwen dat de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvragen was verstreken, omdat de minister zelf had aangekondigd dat hij uiterlijk op 14 juni 2024 zou beslissen. Opposanten verwijzen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 11 maart 2024 [1]
4. Wat opposanten hebben aangevoerd leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte tot haar kennelijk oordeel is gekomen. De voor de minister geldende beslistermijn vloeit voort uit de wet en is niet anders wanneer hij zelf zegt te verwachten eerder te kunnen beslissen. Zoals bovendien in het door opposant overgelegde verslag van het aanmeldgehoor is te lezen, is aan opposant medegedeeld dat het voor de IND juist moeilijk is om op tijd te beslissen en dat de beschikking op eisers aanvraag in beginsel uiterlijk op 14 juni 2024 was te verwachten. De rechtbank volgt de door opposanten genoemde uitspraak dan ook niet. Eerst na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn kon worden geconcludeerd dat verweerder in gebreke was te beslissen. Dit was nog niet het geval op het moment van het indienen van de ingebrekestellingen op 17 juni 2024. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de ingebrekestellingen prematuur zijn.
5. De verzetten zijn ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verzetten ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 19 december 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.