ECLI:NL:RBDHA:2024:220
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing onrechtmatige voortzetting maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser, een vreemdeling met Syrische nationaliteit, verbleef sinds februari 2023 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de maatregel tot 23 november 2023 reeds beoordeeld en richt zich nu op de periode daarna.
De rechtbank constateert dat het beroep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift ter zitting is behandeld, maar pas op 3 januari 2024, wat een overschrijding is die aan de rechtbank te wijten is. Hierdoor is het voortduren van de maatregel vanaf 2 januari 2024 onrechtmatig geworden.
Eiser voerde aan dat er geen uitzicht is op uitzetting binnen redelijke termijn, mede omdat hij de Syrische nationaliteit heeft en de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken. De rechtbank stelt echter vast dat het onderzoek naar zijn identiteit nog loopt en dat verweerder regelmatig contact onderhoudt met de autoriteiten. De stelling dat uitzetting onmogelijk is, is eerder al verworpen.
Verder wees de rechtbank het bezwaar tegen vermeend onzorgvuldig handelen van verweerder af, omdat de derde afname van vingerafdrukken noodzakelijk was op verzoek van de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 januari 2024, kent een schadevergoeding toe van €100,- voor één dag onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten van €875,-.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is met ingang van 2 januari 2024 onrechtmatig en wordt opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.