ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5012
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens overschrijding termijn behandeling beroep
De vreemdelinge is op 16 mei 2001 de toegang tot Nederland geweigerd en is op die dag een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Na een eerder ongegrond verklaard beroep tegen deze maatregel, stelde de vreemdelinge beroep in tegen de voortduring van de maatregel en vorderde tevens schadevergoeding.
De rechtbank stelt vast dat artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen expliciete termijn voorschrijft waarbinnen de behandeling van het beroep ter zitting moet plaatsvinden. De Memorie van Toelichting vermeldt wel een termijn van twee weken voor uitspraak na het instellen van het beroep, maar dit laat geen ruimte voor voorbereiding en zitting. De rechtbank besluit daarom aansluiting te zoeken bij het systeem van artikel 94 Vw Pro 2000, waarbij een termijn van veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving geldt voor de behandeling ter zitting.
In deze zaak vond de behandeling pas plaats op de zevenentwintigste dag na ontvangst van de kennisgeving, wat een overschrijding van dertien dagen betekent zonder bijzondere omstandigheden. Hierdoor is de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig geworden vanaf 7 augustus 2001.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 23 augustus 2001 en kent een schadevergoeding toe van 1600 gulden wegens de onrechtmatige voortduring. Tevens worden proceskosten aan de vreemdelinge toegekend.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens overschrijding van de termijn voor behandeling van het beroep en de vreemdelinge krijgt een schadevergoeding toegekend.