Eiser diende op 20 juli 2022 een asielaanvraag in. De minister wees deze op 4 december 2023 als kennelijk ongegrond af, maar de rechtbank verklaarde dit besluit op 18 januari 2024 gegrond en vernietigde het. Eiser stelde de minister vervolgens in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag en diende op 11 december 2024 een beroep in.
De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van zes maanden, zoals voorgeschreven in de Vreemdelingenwet, was verstreken en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het beroep werd daarom kennelijk gegrond verklaard zonder zitting. De rechtbank paste jurisprudentie toe en bepaalde dat de minister binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €7.500, voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. De minister werd tevens veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €437,50. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier B.A. Smit.