ECLI:NL:RBDHA:2024:22270
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Frankrijk
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij op 8 januari 2025 wordt overgedragen aan Frankrijk in het kader van zijn asielprocedure. De minister had zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank had het beroep van verzoeker tegen dit besluit buiten zitting ongegrond verklaard.
De voorzieningenrechter stelde vast dat er sprake is van spoedeisend belang, omdat de overdracht niet vrijwillig is en verzoeker niet wil vertrekken. Desondanks oordeelde de voorzieningenrechter dat het verzet van verzoeker tegen de buiten zitting genomen beslissing geen redelijke kans van slagen heeft. De enkele stelling dat verzoeker gehoord had moeten worden, was onvoldoende om twijfel te zaaien over de rechtmatigheid van de beslissing.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de rechtbank terecht zonder zitting uitspraak heeft gedaan en dat de overwegingen in het vonnis voldoende zijn gemotiveerd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen overdracht aan Frankrijk wordt afgewezen.