ECLI:NL:RBDHA:2025:2665
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen ongegrond verklaring beroep tegen niet-in-ontvangstneming verblijfsvergunning asiel afgewezen
Opposant, een Syrische asielzoeker, had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank verklaarde dit beroep op 19 december 2024 ongegrond zonder zitting, met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro, omdat het interstatelijk vertrouwensbeginsel aannemelijk maakte dat Frankrijk zijn verplichtingen nakomt.
Tegen deze uitspraak stelde opposant verzet in en vroeg om een tweede voorlopige voorziening, die werd afgewezen. Tijdens de zitting op 18 februari 2025 bracht opposant geen nieuwe onderbouwing naar voren die twijfel zou kunnen doen ontstaan over de eerdere uitspraak. De rechtbank oordeelde dat de eerdere beslissing niet buiten redelijke twijfel stond en dat opposant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet veilig naar Frankrijk kon terugkeren.
De rechtbank overwoog dat de psychische klachten van opposant niet nader waren toegelicht en dat hij tijdens het aanmeldgehoor voldoende gelegenheid had gehad zijn bezwaren kenbaar te maken. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 19 december 2024 bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.