ECLI:NL:RBDHA:2024:22430
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling geen rechtmatig verblijf op grond van Unierecht
Eiser, een Poolse staatsburger geboren in 2001, verblijft langer dan drie maanden in Nederland zonder te voldoen aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf volgens het Unierecht. Hij heeft gewerkt van 2022 tot 2023, maar verloor zijn baan door het kwijtraken van zijn paspoort en leidt een zwervend bestaan met meerdere politiecontacten wegens overlast en winkeldiefstallen.
De minister van Asiel en Migratie heeft een verwijderingsmaatregel opgelegd omdat eiser niet voldoende middelen van bestaan heeft, niet studeert, niet als werkzoekende staat ingeschreven en geen vaste woonplaats heeft. Eiser betwist het besluit en voert aan dat de belangenafweging onzorgvuldig is, de maatregel disproportioneel is en hij onvoldoende is geïnformeerd over het beëindigen van zijn verblijf.
De rechtbank oordeelt dat de minister alle relevante feiten heeft meegewogen en dat het nadeel voor eiser gerechtvaardigd is gezien zijn situatie en gedragingen. De verwijderingsmaatregel is proportioneel en voldoende gemotiveerd, mede gelet op de Verblijfsrichtlijn en jurisprudentie. Een belangenafweging bij het opleggen van de vertrektermijn is niet verplicht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak is beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit dat hij geen rechtmatig verblijf heeft wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.