Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De beslissingstermijn vangt aan op het moment dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de aanvraag na een Dublin-claim, wat per brief van 11 mei 2022 is vastgesteld. De maximale beslistermijn van 21 maanden, verlengd met negen maanden op grond van het WBV 2022/22, is overschreden.
De rechtbank overweegt dat eiser eerst een ingebrekestelling heeft gedaan en na het verstrijken van de termijn beroep heeft ingesteld. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. De termijn is korter dan het gebruikelijke 8+8 wekenmodel vanwege de overschrijding van de maximale beslistermijn.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op met een maximum van € 7.500,- voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan eiser van € 437,50 wegens het inschakelen van juridische hulp. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.