Uitspraak
Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel gezinsvorming bij haar partner, de referent. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste en er geen vrijstellingsgronden of toepassing van de hardheidsclausule aanwezig waren. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiseres voerde aan dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ten onrechte in haar nadeel was uitgevallen, onder meer omdat zij al vijftien jaar in Nederland verbleef en het gezinsleven op afstand niet voldeed. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris een redelijke belangenafweging had gemaakt, waarbij het algemeen belang van de Nederlandse samenleving zwaarder woog dan het individuele belang van eiseres.
Daarnaast stelde eiseres dat de hardheidsclausule toepassing behoorde te vinden vanwege onvoorziene reisbeperkingen door corona, waardoor zij niet tijdig kon terugkeren naar Ghana. De rechtbank volgde dit niet, omdat de omstandigheden niet als schrijnend werden aangemerkt en er geen bewijs was van nieuwe pogingen tot vertrek na de vertrektermijn.
Tot slot betoogde eiseres dat het opgelegde inreisverbod onredelijk was, omdat zij buiten haar schuld niet binnen de vertrektermijn kon vertrekken. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris in redelijkheid het inreisverbod had opgelegd, gezien het feit dat eiseres niet vrijwillig vertrok en onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd om van het inreisverbod af te zien.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning zonder mvv en het inreisverbod bleven in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning zonder mvv en het inreisverbod is ongegrond verklaard.