ECLI:NL:RBDHA:2024:2756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
NL23.20356
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 17 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.71 lid 2 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zonder mvv en oplegging inreisverbod bevestigd

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel gezinsvorming bij haar partner, de referent. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste en er geen vrijstellingsgronden of toepassing van de hardheidsclausule aanwezig waren. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Eiseres voerde aan dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) ten onrechte in haar nadeel was uitgevallen, onder meer omdat zij al vijftien jaar in Nederland verbleef en het gezinsleven op afstand niet voldeed. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris een redelijke belangenafweging had gemaakt, waarbij het algemeen belang van de Nederlandse samenleving zwaarder woog dan het individuele belang van eiseres.

Daarnaast stelde eiseres dat de hardheidsclausule toepassing behoorde te vinden vanwege onvoorziene reisbeperkingen door corona, waardoor zij niet tijdig kon terugkeren naar Ghana. De rechtbank volgde dit niet, omdat de omstandigheden niet als schrijnend werden aangemerkt en er geen bewijs was van nieuwe pogingen tot vertrek na de vertrektermijn.

Tot slot betoogde eiseres dat het opgelegde inreisverbod onredelijk was, omdat zij buiten haar schuld niet binnen de vertrektermijn kon vertrekken. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris in redelijkheid het inreisverbod had opgelegd, gezien het feit dat eiseres niet vrijwillig vertrok en onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd om van het inreisverbod af te zien.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning zonder mvv en het inreisverbod bleven in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning zonder mvv en het inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20356

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2024 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 6 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het (bestreden) besluit bevat ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 februari op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent ([naam]), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de mvv van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Op 30 november 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘gezinsvorming bij referent (haar partner)’.
3.1.
De staatssecretaris heeft bij het besluit van 6 februari 2023 – gehandhaafd bij het bestreden besluit – deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres geen geldige mvv heeft. Daarnaast is er in het geval van eiseres geen van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) of van artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) of paragraaf B1/4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) van toepassing en zijn er geen gronden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
Biedt artikel 8 van Pro het EVRM grondslag tot vrijstelling van het mvv-vereiste?
4. Eiseres betoogt dat de staatssecretaris de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen en zij daarom ten onrechte niet vrijgesteld is van het mvv-vereiste. Ten onrechte wordt tegengeworpen dat de relatie met referent in eerste instantie is aangegaan terwijl eiseres op dat moment niet legaal in Nederland verbleef, omdat uit het feit dat eiseres na het ontstaan van de relatie heeft geprobeerd om terug te keren naar haar land van herkomst blijkt dat zij na het ontstaan van de relatie geprobeerd heeft de regels voor verblijf in Nederland te volgen. Daarnaast is het niet redelijk om van haar partner te verlangen zijn eigen zaak in Nederland op te geven. Het belang om zijn bedrijf te houden moet dan ook zwaarder wegen dan het belang van de staatssecretaris. De staatssecretaris miskent verder dat haar partner nog nooit in Ghana is geweest, dat zij samen in Nederland hun leven leiden en hun vriendschappen onderhouden en eiseres al vijftien jaar in Nederland verblijft. Het onderhouden van het gezinsleven op afstand doet geen recht aan de invulling van het gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Het feit dat eiseres de laatste vijftien jaar in Nederland heeft verbleven en hier haar leven met haar partner leidt en zich hier thuis voelt, moet zwaarder worden gewogen dan het feit dat eiseres in het verleden een langere periode in Ghana heeft doorgebracht. Hiervoor is het niet noodzakelijk dat zij zich nog meer dan zij heeft gedaan had moeten manifesteren op sociaal, maatschappelijk of cultureel vlak, zoals de staatssecretaris stelt. Er wordt terecht geen ‘meer dan de gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’ aangenomen met de broer en zus van eiseres in Nederland, maar dat betekent niet dat de aanwezigheid van haar broer en zus in Nederland in het geheel niet betrokken zou dienen te worden bij de belangenafweging. Verder is het volgens eiseres onterecht dat de belangenafweging in het nadeel uitvalt ten aanzien van door de overheid betaalde voorzieningen, terwijl er sprake is van voldoende eigen inkomen.
4.1.
De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen en zij daarom niet ten onrechte is vrijgesteld van het mvv-vereiste. De staatssecretaris heeft alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van eiseres bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. De staatssecretaris heeft in het voordeel meegewogen dat referent de Nederlandse nationaliteit heeft en een inkomen heeft waarmee hij eiseres en zichzelf kan onderhouden. Verder zijn er geen strafrechtelijke antecedenten bekend over eiseres. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte in het nadeel van eiseres overwogen dat zij de relatie is aangegaan met referent, terwijl zij geen verblijfsvergunning had en dit komt voor haar rekening en risico. Eiseres mocht er niet op vertrouwen dat zij samen in Nederland mochten gaan wonen en de relatie bestaat ook nog niet zo lang. De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de intentie van eiseres, om zich aan de regels te houden, het voorgaande niet anders maakt.
De staatssecretaris heeft verder niet ten onrechte in het nadeel van eiseres overwogen dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven in Ghana uit te oefenen. Eiseres en eventueel referent kunnen in Ghana een bestaan opbouwen, omdat eiseres daar het merendeel van haar leven heeft gewoond en zij er bekend is met de taal en cultuur. Het is de eigen keuze van referent of hij met eiseres mee wil gaan naar Ghana om daar het familieleven met eiseres uit te oefenen. De staatssecretaris acht het niet ten onrechte onoverkomelijk dat referent in Nederland werk heeft en zonder eiseres zijn leven in Nederland kan voortzetten. De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiseres verwacht kan worden werk te gaan verrichten in Ghana en daarmee een inkomen te generen voor beiden. Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in het nadeel meegewogen dat contact op afstand onderhouden ook mogelijk is en referent ook bezoeken aan Ghana kan brengen. De staatssecretaris volgt eiseres in haar stelling dat contact onderhouden op afstand niet dezelfde invulling aan het gezinsleven geeft als wanneer ze kunnen leven in elkaars fysieke aanwezigheid, maar stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat deze omstandigheid alleen onvoldoende is om de belangenafweging in het voordeel te laten uitvallen. Verder stelt de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet blijkt dat eiseres een beschermingswaardig privéleven in Nederland heeft opgebouwd in de gestelde periode van vijftien jaar. Ook blijkt niet dat er sprake is van beschermingswaardig familieleven tussen eiseres en haar broer en zus. Verder stelt de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt dat het economisch belang niet alleen gaat over de vraag of referent een eigen inkomen heeft, maar ook over de bescherming van de arbeidsmarkt en over door de overheid betaalde voorzieningen. De staatssecretaris heeft de belangen in onderlinge samenhang beoordeeld en afgewogen en niet ten onrechte geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiseres. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen reden om te oordelen dat de staatssecretaris de belangenafweging niet redelijkerwijs in het nadeel van eiseres mocht laten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Biedt de hardheidsclausule grondslag tot vrijstelling van het mvv-vereiste?
5. Eiseres betoogt dat het onredelijk hard is dat de staatssecretaris vasthoudt aan het mvv-vereiste. In het besluit wordt namelijk slechts een algemene overweging opgenomen en er wordt niet ingegaan op de aangevoerde individuele omstandigheden, namelijk dat zij buiten haar schuld niet heeft kunnen terugkeren naar Ghana. Eiseres had een ticket geboekt voor een vlucht op 5 oktober 2022 vanaf Schiphol, maar een coronatest op het vliegveld leverde vertraging op waardoor ze het vliegtuig had gemist. Aan eiseres werd vervolgens medegedeeld dat zij de volgende dag na een coronatest mocht vliegen, maar deze vlucht is niet vertrokken en daarom was eiseres genoodzaakt terug naar huis te gaan. Verder betoogt eiseres dat zij alleen voor een mvv zou moeten terugkeren. Op de zitting wijst eiseres in dit verband nog op de omstandigheden wat betreft haar verleden in Nederland, wat zij heeft meegemaakt zoals in de hoorzitting is verteld en de medische situatie.
5.1.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] (de Afdeling) volgt dat, wanneer een vreemdeling zich beroept op de hardheidsclausule, de staatssecretaris een beoordeling of die vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten voor gezinshereniging pas moet verrichten als de vreemdeling bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert die maken dat het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste als die vreemdeling aan alle materiële vereisten zou voldoen.
5.2.
De staatssecretaris stelt zich in redelijkheid op het standpunt dat er onvoldoende reden is om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidclausule, omdat er onvoldoende sprake is van schrijnende omstandigheden. De omstandigheden die eiseres aanvoert zijn volgens de staatssecretaris niet bijzonder genoeg, want eventuele reisbeperkingen in verband met het coronavirus raken iedereen. Verder is niet gebleken dat eiseres in het geheel niet naar Ghana kon afreizen en niet is gebleken dat zij op of na 6 oktober 2022 nog nieuwe pogingen heeft ondernomen om het land te verlaten. De rechtbank kan dit volgen. Verder stelt de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres en referent onevenredig zwaar getroffen worden in vergelijking met andere vreemdelingen waarvan de aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen. De staatssecretaris stelt zich in redelijkheid op het standpunt dat hij de stelling van eiseres dat zij alleen voor een mvv zou moeten terugkeren niet volgt, omdat eiseres ook zal moeten slagen voor het inburgeringsexamen buitenland.
Had de staatssecretaris in redelijkheid van het inreisverbod moeten afzien?
6. Eiseres betoogt dat het opleggen van een inreisverbod onrechtmatig en onredelijk is. Zij kon buiten haar schuld om niet binnen de vertrektermijn uit Nederland vertrekken. Desondanks wordt toch een inreisverbod opgelegd, maar als zij met de vlucht van 5 oktober 2022 had meegekund was van een inreisverbod geen sprake. Nadat de vlucht van 5 oktober 2022 niet doorging, heeft zij meteen geprobeerd om op 6 oktober 2022 alsnog Nederland te verlaten, maar dat bleek ook niet mogelijk. De vertrektermijn verliep op 6 oktober 2022 en het was dus niet meer mogelijk om voor deze datum te vertrekken. Daarom kan haar niet tegengeworpen worden dat zij niet heeft geprobeerd binnen de termijn Nederland te verlaten. Het inreisverbod betreft ook een inmenging op hun recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat het inreisverbod tot gevolg heeft dat eiseres twee jaar lang niet bij haar partner in Nederland mag zijn. Verder stelt eiseres dat ten onrechte haar beroep op artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 en artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet wordt gehonoreerd. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd welk doel met toepassing van het inreisverbod wordt nagestreefd in dit geval. Op de zitting doet eiseres in dit verband nog een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
6.1.
Volgens artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, waarin artikel 11 van Pro de Terugkeerrichtlijn is geïmplementeerd, vaardigt de staatssecretaris een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van Pro de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd, dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit. Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 kan de staatssecretaris om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling volgt uit de formulering van deze bepaling dat de staatssecretaris bij de toepassing hiervan beoordelingsvrijheid toekomt. [2] De vreemdeling kan omstandigheden aanvoeren op grond waarvan de staatssecretaris in redelijkheid van de uitvaardiging van het inreisverbod had moeten afzien.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn verlaten. De staatssecretaris stelt zich in redelijkheid op het standpunt dat hetgeen eiseres aanvoert onvoldoende is om af te zien van het inreisverbod om humanitaire of andere redenen en er ook geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor de staatssecretaris volgens artikel 4:84 van Pro de Awb van de beleidsregels moet afwijken. De staatssecretaris stelt zich in redelijkheid op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres in het geheel niet heeft kunnen afreizen naar Ghana en ook niet blijkt dat zij nieuwe pogingen heeft ondernomen om Nederland te verlaten. De rechtbank begrijpt dat eiseres de aanwijzingen heeft opgevolgd, maar dat doet aan het voorgaande niet af. De staatssecretaris heeft op de zitting toegelicht dat eiseres risico heeft genomen door pas aan het einde van de vertrektermijn een poging te doen om Nederland te verlaten doordat met op het laatste moment proberen te vertrekken te verwachten valt dat zij de termijn zal overschrijden. Verder heeft de staatssecretaris op de zitting toegelicht dat eiseres ook na de vertrektermijn geen andere pogingen heeft ondernomen om alsnog aan de vertrekplicht te voldoen en zij pas laat een reguliere aanvraag heeft ingediend, terwijl zij al twee maanden in Nederland verbleef. De staatssecretaris stelt zich verder in redelijkheid op het standpunt dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van Pro het EVRM, hoewel er wel sprake is van een inmenging in eiseres haar familieleven, omdat deze inmenging is toegestaan in het belang van de Nederlandse overheid. Het inreisverbod is van beperkte duur en na bepaalde tijd of als aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning wordt voldaan kan deze opgeheven worden. Tijdens het inreisverbod kunnen eiseres haar familieleden haar in het land van herkomst bezoeken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de ABRvS 14 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:471.
2.Onder meer de uitspraak van ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:368.