ECLI:NL:RBDHA:2024:2785
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander uit Oekraïne
Verzoeker, een Nigeriaanse derdelander die in Oekraïne verbleef met een tijdelijk verblijfsrecht, vluchtte naar Nederland en kreeg tijdelijke bescherming op grond van de Europese Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De staatssecretaris stelde zijn asielaanvraag buiten behandeling en stuurde op 24 januari 2024 een brief waarin werd meegedeeld dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 eindigt, waarna verzoeker niet meer mag werken zonder tewerkstellingsvergunning en vanaf 1 april 2024 geen opvang meer krijgt.
Verzoeker stelde beroep in tegen deze brief en het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, en verzocht om een voorlopige voorziening om in afwachting van de procedure in Nederland te mogen blijven werken en opvang te behouden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief geen besluit is, maar wel feitelijke handelingen betreft waartegen bezwaar mogelijk is. De rechter volgt de eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak dat de tijdelijke bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
De voorzieningenrechter ziet geen spoedeisend belang om de voorlopige voorziening toe te wijzen, omdat de kans van slagen van het bezwaar gering is en de belangen van de staatssecretaris bij naleving van de beëindiging zwaarder wegen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. De rechtbank streeft ernaar om voor 1 april 2024 uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de tijdelijke bescherming en rechten van verzoeker eindigen per 4 maart 2024.