Deze uitspraak behandelt de vraag of derdelanders uit Oekraïne met tijdelijk verblijfsrecht na 2 april 2024 in Nederland mogen blijven tijdens hun procedure. De voorzieningenrechter besluit in één uitspraak over 95 lopende verzoeken vanwege de spoedeisendheid en het grote aantal zaken.
De terugkeerbesluiten zijn onrechtmatig omdat de vreemdelingen niet de kans hebben gekregen hun persoonlijke omstandigheden toe te lichten. Daarom worden deze besluiten geschorst om de belangen van de derdelanders te beschermen. Verzoeken om het recht op opvang en werken zonder tewerkstellingsvergunning te behouden worden afgewezen, omdat dit recht volgens eerdere uitspraken eindigt per 4 maart 2024.
De voorzieningenrechter benadrukt dat individuele verzoekers met bijzondere omstandigheden opnieuw een voorlopige voorziening kunnen aanvragen, die dan op zitting wordt behandeld. De staatssecretaris kan verzoeken om opheffing van de schorsing in specifieke gevallen. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van € 875 per verzoeker.