ECLI:NL:RBDHA:2024:3356
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek
Eiser, een Syriër met een verblijfsvergunning asiel, kreeg deze vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 vanwege gevaar voor de openbare orde, mede gebaseerd op eerdere veroordelingen. Tevens werd een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet in lijn waren met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en daarom niet konden worden gehandhaafd. De rechtbank stelde vast dat het voornemen tot intrekking op correcte wijze was bekendgemaakt, ondanks dat de post retour kwam, en dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om een zienswijze in te dienen.
Echter, de rechtbank vond dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de a-grond (vluchtelingenstatus), terwijl eiser tijdens zijn asielprocedure relevante verklaringen had gedaan die hierop betrekking hadden. Dit leidde tot een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en het verblijfsrecht van eiser hersteld. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.