Eiseres diende op 17 november 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na toelating tot de nationale procedure op 5 juli 2022 verstreek de wettelijke beslistermijn van zes maanden zonder dat de staatssecretaris een besluit nam. Eiseres stelde de staatssecretaris op 7 december 2023 in gebreke en startte op 21 december 2023 een beroepsprocedure wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn op 6 januari 2023 is verstreken en de staatssecretaris sindsdien geen besluit heeft genomen. Op grond van jurisprudentie wordt een dwangsom opgelegd en wordt de staatssecretaris opgedragen binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank bepaalt dat de dwangsom € 100,- per dag bedraagt met een maximum van € 7.500,-. Tevens worden de proceskosten van eiseres vastgesteld op € 437,50. Hiermee wordt beoogd de staatssecretaris te stimuleren om binnen de gestelde termijn zorgvuldig en tijdig te beslissen op de asielaanvraag.