Eiser werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Hij werd aangetroffen zonder identiteitsbewijs en had een asielaanvraag in Frankrijk lopen, maar was niet op de hoogte van de uitkomst daarvan. De staatssecretaris nam de maatregel van bewaring en voerde als gronden onder meer het risico op ontduiking van toezicht en een mogelijke overdracht aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening.
Tijdens de procedure werd de bewaring opgeheven nadat bleek dat eiser inmiddels een verblijfsvergunning in Frankrijk had gekregen. De rechtbank oordeelde dat de maatregel na afwijzing van de overdrachtclaim door Frankrijk op 23 februari 2024 onrechtmatig werd voortgezet, omdat de maatregel niet tijdig werd opgeheven of omgezet.
De rechtbank wees het beroep deels af, onder meer over het redelijk vermoeden van illegaal verblijf en voortvarendheid van de staatssecretaris bij overdracht, maar verklaarde het beroep gegrond vanwege de onrechtmatige voortzetting van de bewaring. De rechtbank kende een schadevergoeding van €300 toe voor drie dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.750.
De uitspraak werd gedaan door rechter D. Verduijn op 14 maart 2024 en is openbaar bekendgemaakt. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.