ECLI:NL:RVS:2023:1307
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling onder Dublinverordening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 3 november 2022 in bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege toepassing van de Dublinverordening, omdat de vreemdeling eerder asiel in België had aangevraagd.
De rechtbank oordeelde dat de Dublinverordening niet langer van toepassing was vanaf 9 november 2022, omdat de vreemdeling zijn aanvraag in Nederland had ingetrokken, en besloot de bewaring te beëindigen en schadevergoeding toe te kennen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Dublinverordening niet meer van toepassing was, omdat de vreemdeling ook in België een asielverzoek had ingediend, ongeacht de afwijzing daarvan.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, maar wees het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring af en verwierp het verzoek om schadevergoeding.
De staatssecretaris had volgens de Raad van State voldoende voortvarend gehandeld door op de zesde dag van de bewaring een vertrekgesprek te voeren en de informatie te verwerken in het verzoek tot terugname aan België.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard.