ECLI:NL:RBDHA:2024:383
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke zaak
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst in een uitspraak van december 2023, waardoor nu alleen het voortduren sinds dat moment werd beoordeeld.
Eiser stelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in de uitzettingsprocedure naar Marokko en dat er geen redelijke termijn voor uitzetting bestond. Ook voerde hij aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn gezien zijn medewerking aan identificatie. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelde, onder meer door het rappelleren op de lp-aanvraag en het voeren van een vertrekgesprek.
Verder concludeerde de rechtbank dat er geen zicht ontbreekt op uitzetting naar Marokko, mede gelet op recente jurisprudentie en verstrekte lp's in vergelijkbare zaken. Eiser voldeed niet aan de medewerkingsplicht, ondanks toezeggingen, en er waren geen medische gronden om de bewaring te beëindigen of te verzachten. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.