ECLI:NL:RBDHA:2024:3871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 maart 2024
Publicatiedatum
21 maart 2024
Zaaknummer
NL24.9658
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring Vietnam

Eiseres, een Vietnamese nationaliteithebbende, is op 25 december 2023 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek schriftelijk afgedaan en het beroep beoordeeld op rechtmatigheid sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 8 februari 2024.

Eiseres betoogde dat onvoldoende duidelijkheid bestond over het zicht op uitzetting naar Vietnam, mede vanwege onvolledige informatie over de behandeling van haar laissez-passer-aanvraag en het ontbreken van bevestiging dat herinneringen aan de Vietnamese autoriteiten werden verzonden. Verweerder stelde dat herinneringen op 26 januari, 13 februari en 5 maart 2024 naar de Nederlandse ambassade in Hanoi zijn gestuurd, die deze vervolgens aan de Vietnamese autoriteiten doorstuurt.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede omdat de werkwijze recentelijk tot reacties van de Vietnamese autoriteiten heeft geleid en eiseres geen medewerking verleent aan terugkeer. Het voortduren van de maatregel is niet onrechtmatig gebleken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9658

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 december 2023 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft verweerder een schriftelijke reactie ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 13 maart 2024.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Vietnamese nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voorduren daarvan al eerder heeft getoetst. [1] Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan de laatste uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep, 8 februari 2024, de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiseres voert aan dat de voortgangsrapportage geen duidelijkheid geeft of sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Vietnam. Eiseres stelt dat verweerder meer informatie dient te verschaffen over de behandeling van eiseres haar LP [2] -aanvraag. Zo stelt eiseres dat verweerder de herinneringen aan het digitale dossier moet toevoegen die door de Nederlandse ambassade in Hanoi aan de Vietnamese autoriteiten worden verzonden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In zijn reactie op het vervolgberoep van 1 februari 2024 heeft verweerder de werkwijze ten aanzien van LP-aanvragen voor Vietnam beschreven. [3] Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder op 26 januari 2024, 13 februari 2024 en 5 maart 2024 herinneringen heeft verzonden naar de Nederlandse ambassade in Hanoi. De werkafspraak tussen verweerder en de Nederlandse ambassade luidt dat vervolgens de Nederlandse ambassade een herinnering stuurt naar de Vietnamese autoriteiten. In de eerder genoemde reactie heeft verweerder geschreven dat de Nederlandse ambassade – ondanks herhaalde verzoeken van verweerder – de herinneringen niet doorstuurt naar verweerder. Desondanks veronderstelt verweerder dat de Nederlandse ambassade de herinnering wel degelijk doorstuurt naar de Vietnamese autoriteiten, nu de Vietnamese autoriteiten beslissingen nemen op LP-aanvragen, dan wel om nadere informatie verzoeken.
6. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Er zijn geen concrete aanknopingspunten aanwezig om te veronderstellen dat de Nederlandse ambassade zich niet aan de werkafspraak houdt om herinneringen te sturen naar de Vietnamese autoriteiten. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat niet in geschil is dat in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting naar Vietnam en dat deze werkwijze recentelijk ook tot reacties van de Vietnamese autoriteiten op LP-aanvragen heeft geleid. Daarnaast is sprake van een kort tijdsverloop sinds indiening van de LP-aanvraag. Ook betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat eiseres geen medewerking verleent aan terugkeer naar Vietnam. Zij heeft namelijk in de vertrekgesprekken van 18 januari 2024 en 14 februari 2024 verklaard niet terug te willen keren naar Vietnam. Ook is niet gebleken dat eiseres pogingen heeft ondernomen om alsnog haar identiteit te onderbouwen.
7. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 15 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:524 en 13 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1981.
2.Laissez-passer.
3.Zie nader de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 13 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1983, rechtsoverweging 5.