Eiser, een voormalig ambulanceverpleegkundige, raakte in 1998 volledig arbeidsongeschikt door een dienstongeval. Na zijn ontslag in 2004 ontving hij een aanvullende uitkering op grond van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente (ARG) oud. Hij vorderde vergoeding van kosten voor diverse hulpmiddelen en diensten die verband houden met zijn beperkingen door het ongeval.
De gemeente weigerde deze kosten te vergoeden, stellende dat na het bereiken van de AOW-leeftijd geen recht meer bestaat op voorzieningen die voortvloeien uit arbeidsongeschiktheid. Een medisch adviesbureau onderzocht de situatie en partijen sloten een vaststellingsovereenkomst over kosten tot 1 januari 2023.
De rechtbank oordeelde dat de brief van 18 mei 2004 geen besluit is dat verdergaande rechten toekent dan de ARG (oud) en dat onvoldoende is onderbouwd dat de gevraagde kosten onder geneeskundige behandeling of verzorging vallen. Bovendien vervalt het recht op vergoeding na het bereiken van de AOW-leeftijd, omdat dan geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.