Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 22 september 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser stelde dat hij niet adequaat kon reageren op het voornemen en dat het verzoek aan Duitsland incompleet was omdat het verblijf van zijn minderjarige broer in Nederland niet was vermeld. Hij meende dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de familieband en de mogelijkheid om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is en dat verweerder het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht toepassen. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hiervan moest worden afgeweken. Zijn zienswijze bevatte vergelijkbare gronden als het beroep, waardoor niet is gebleken dat hij niet adequaat kon reageren. Verweerder hoefde geen nader onderzoek te doen naar de broer omdat eiser niet had onderbouwd dat deze minderjarig is en een familieband bestond.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager op 18 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.