Eiser stelde beroep in tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid omdat deze niet tijdig had beslist op zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van zes maanden is verstreken, gerekend vanaf een eerdere aanvraagdatum die Nederland verantwoordelijk werd wegens het verstrijken van de overdrachtstermijn onder de Dublinverordening.
De rechtbank bevestigt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €7.500, opgelegd voor elke dag dat de termijn wordt overschreden.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €875 toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter Steinebach-de Wit en griffier Hampsink op 22 maart 2024 te Arnhem.