Eiser, een Syrische asielzoeker, stelde dat de staatssecretaris niet tijdig had beslist op zijn asielaanvraag van 15 september 2020. Na vernietiging van een eerder besluit door de Afdeling bestuursrechtspraak moest de staatssecretaris binnen een korte termijn een nieuw besluit nemen. De staatssecretaris had de beslistermijn verlengd zonder rekening te houden met de wettelijke bovengrens van 21 maanden, waardoor de verlenging niet rechtsgeldig was.
De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn ten tijde van de ingebrekestelling was verstreken, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, wat in deze zaak niet het geval was.
Verder stelt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag vast voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van €7.500, maar wijst het verzoek om een bestuurlijke dwangsom af vanwege wettelijke beperkingen. Tot slot veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan eiser.