In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de burgemeester van Den Haag een woning voor de duur van één maand gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, na vondst van 132,88 kilogram henneptoppen zonder THC en twee vuurwapens. Verzoekers, bewoners van de woning, maakten bezwaar tegen het besluit en vroegen om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoekers de woning niet kunnen gebruiken. De henneptoppen, ondanks het ontbreken van THC, vallen onder de Opiumwet en vormen een handelshoeveelheid. De aanwezigheid van vuurwapens en de omvang van de drugsvondst maken de sluiting noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.
Verzoekers betoogden dat zij niet wisten van de drugs en vuurwapens, dat er geen handel plaatsvond, en dat de sluiting disproportioneel is gezien hun medische kwetsbaarheid en het risico op verlies van de woning. De voorzieningenrechter stelt dat verzoekers verantwoordelijk zijn voor wat zich in hun woning afspeelt en dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig zijn. Het tijdsverloop tussen vondst en sluiting is niet onredelijk.
De sluiting wordt gezien als een maatregel gericht op de woning zelf, niet op de bewoners. De voorzieningenrechter concludeert dat de sluiting noodzakelijk en evenredig is en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.