ECLI:NL:RVS:2023:3293
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handelshoeveelheid softdrugs in Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam heeft bij besluit van 26 mei 2020 de woning van appellant gesloten voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, waaronder softdrugs en cocaïne. Dit volgde op een politieonderzoek naar aanleiding van een hennepgeur en een anonieme melding, waarbij ruim 18 kilogram softdrugs werd aangetroffen.
Appellant voerde aan dat hij strafrechtelijk was vrijgesproken en dat de aangetroffen middelen geen verboden middelen zouden zijn, maar CBD-producten. Tevens stelde hij dat de hoeveelheden onjuist waren vastgesteld en dat het om een handelsvoorraad voor een coffeeshop ging, wat volgens hem niet strafbaar was. De rechtbank oordeelde echter dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet en dat de sluiting noodzakelijk en evenredig was.
De Raad van State bevestigt dit oordeel. De bestuursrechtelijke bevoegdheid tot sluiting staat los van het strafrechtelijke traject. De omvang van de aangetroffen softdrugs wijst op een handelshoeveelheid. De burgemeester mocht de sluiting noodzakelijk achten ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, mede gelet op de ligging in een kwetsbare wijk en het risico op ripdeals.
De duur van zes maanden werd als evenredig beoordeeld, mede omdat appellant geen sterke binding met de woning had en de sluiting niet langer duurde dan de beleidsregel voorschrijft. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning voor zes maanden wegens handelshoeveelheid softdrugs.