ECLI:NL:RVS:2019:3762
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.J. van Eck
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens drugshandel ondanks bezwaar en schadevergoedingseis
De burgemeester van Den Haag heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten een woning te sluiten vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden soft- en harddrugs en aan drugshandel gerelateerde goederen. De huurder, die met haar zoon in de woning woonde, maakte bezwaar tegen de sluiting en stelde dat zij niet betrokken was bij de drugshandel en dat de sluiting onmenselijk was. De rechtbank wees het beroep af en de huurder ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de sluiting een tijdelijke bestuurlijke maatregel is en geen onmenselijke behandeling in de zin van het EVRM. De ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder doet hieraan niet af. Ook is de bekendmaking van de sluiting geen schending van haar eer en goede naam, omdat de mededeling geen persoonsgegevens bevat. De sluiting wordt niet als een strafrechtelijke sanctie gezien, maar als bestuursdwang gericht op het beëindigen en voorkomen van drugshandel.
De huurder kon redelijkerwijs op de hoogte zijn van de drugshandel in haar woning. De burgemeester heeft de belangen zorgvuldig afgewogen en de maatregel als evenredig beoordeeld. Het verzoek om schadevergoeding wegens de gevolgen van de sluiting wordt afgewezen, omdat de sluiting rechtmatig was en de schade mede aan de huurder kan worden toegerekend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van de woning en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.