ECLI:NL:RBDHA:2024:4224

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
NL24.10782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die door de staatssecretaris was opgelegd en vervolgens beëindigd voordat het beroep werd ingediend. De rechtbank beoordeelt het verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking van het beroep. Volgens vaste rechtspraak is alleen sprake van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb indien het bestuursorgaan een standpunt binnen het geding herziet en het gewenste besluit neemt dat een erkenning van onrechtmatigheid inhoudt.

In deze zaak was de maatregel al beëindigd voordat het beroep werd ingesteld, waardoor geen tegemoetkoming in de zin van de wet is gegeven. De beëindiging was niet het gevolg van een herziening binnen het geding, maar vond plaats op grond van andere omstandigheden. Daarom is het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de maatregel al was beëindigd voordat het beroep werd ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10782

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
mede namens haar minderjarige kind:
[naam],
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2024 heeft de staatssecretaris besloten om verzoekster per
19 februari 2024 een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).
De staatssecretaris heeft per 19 februari 2024 de vrijheidsbeperkende maatregel beëindigd.
Verzoekster heeft op 12 maart 2024 tegen de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld.
Verzoekster heeft op 26 maart 2024 het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten veroordelen.
2. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487) is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel nadien verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.
3. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel deze maatregel al was beëindigd door de staatssecretaris. Van tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake en voornoemde beëindiging vormt geen grond voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.