ECLI:NL:RBDHA:2024:4264
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelanders
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende persoon die in Oekraïne verbleef met een tijdelijke verblijfsvergunning, maakte aanspraak op tijdelijke bescherming in Nederland vanwege de oorlog in Oekraïne. De staatssecretaris besloot aanvankelijk dat het recht op tijdelijke bescherming per 4 september 2023 zou eindigen, maar trok dit besluit later in en stelde dat de bescherming van rechtswege eindigde op 4 maart 2024.
Eiser voerde aan dat de tijdelijke bescherming niet mocht eindigen zonder individuele belangenafweging en betwistte de uitleg van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasselijkheid van de verlenging van de bescherming tot 4 maart 2025. De rechtbank volgde echter de gemotiveerde uitspraak van de Afdeling en oordeelde dat de bescherming van rechtswege eindigde op 4 maart 2024 zonder ruimte voor individuele belangenafweging.
De mededelingen van de staatssecretaris over het einde van de bescherming werden niet als besluiten aangemerkt, zodat daartegen geen beroep kon worden ingesteld. Het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 30 augustus 2023 werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank zag af van proceskostenveroordeling omdat de staatssecretaris al een vergoeding had toegezegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming is niet-ontvankelijk verklaard omdat de bescherming van rechtswege eindigde en er geen procesbelang is.