ECLI:NL:RBDHA:2024:4265
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit van derdelander uit Oekraïne
Eiser, een derdelander met de Marokkaanse nationaliteit die uit Oekraïne is gevlucht vanwege de oorlog, heeft sinds 15 juli 2022 tijdelijke bescherming in Nederland. De staatssecretaris besloot aanvankelijk dat deze bescherming per 4 september 2023 zou eindigen, maar trok dit besluit in na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelde dat de bescherming van rechtswege eindigt op 4 maart 2024.
Eiser voerde beroep aan tegen het ingetrokken besluit, de mededeling over het aflopen van de bescherming, het intrekkingsbesluit en het terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang, dat de mededeling geen besluit is en dus geen beroep daarop mogelijk is, en dat het beroep tegen het intrekkingsbesluit eveneens niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het terugkeerbesluit stelde de rechtbank vast dat de staatssecretaris niet verplicht was eiser opnieuw te horen, omdat hij al gelegenheid had gehad zijn zienswijze te geven. Het terugkeerbesluit werd als rechtmatig beoordeeld en het beroep daarop ongegrond verklaard. Het afzonderlijke beroep tegen het terugkeerbesluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit al in de eerdere procedure was beoordeeld.
De rechtbank bevestigde het oordeel van de Afdeling dat de tijdelijke bescherming van personen met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op 4 maart 2024 van rechtswege eindigt en dat de staatssecretaris bevoegd was deze bescherming te beëindigen. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het ingetrokken besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond verklaard.