Deze zaak betreft een vordering tot schadevergoeding door eiser wegens een beroepsfout van zijn advocaat, gedaagde, die het griffierecht niet tijdig betaalde waardoor de procedure tegen een derde partij werd ontslagen van instantie en de vordering verjaarde.
De rechtbank onderzocht of eiser schade had geleden door het verlies van een kans op succes in de oorspronkelijke procedure. De leenovereenkomst tussen eiser en derde partij werd als bewijsstuk beoordeeld waarbij de ontvangst van €85.000 door derde partij dwingend werd bewezen, maar de terugbetalingsverplichting slechts vrije bewijskracht had. De rechtbank oordeelde dat eiser in de hypothetische situatie een vordering van €85.000 plus rente had kunnen incasseren, maar rekening houdend met verhaalsrisico's werd dit geschat op 50%.
De schade werd begroot op €31.920 na aftrek van extra advocaatkosten die eiser had moeten maken. Daarnaast werd wettelijke rente vanaf 3 april 2017 toegewezen evenals proceskosten. De beroepsfout van gedaagde werd als oorzaak van het schadeverlies vastgesteld en gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het genoemde bedrag.