ECLI:NL:HR:2017:3051

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2017
Publicatiedatum
30 november 2017
Zaaknummer
16/05627
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatieberoep in zaak beroepsaansprakelijkheid advocaat

In deze zaak stond de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat centraal, waarbij eiser een vrijwaringsprocedure had ingesteld tegen verweersters. De procedure betrof onder meer de vraag of er sprake was van causaal verband en of de omkeringsregel van toepassing was op de gestelde kansschade.

De feiten en het geding in de lagere instanties zijn vastgelegd in het vonnis van de kantonrechter te Roermond en het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, waarbij verweersters hun verwerping van het beroep handhaafden. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.

Uitspraak

1 december 2017
Eerste Kamer
16/05627
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.H. Conradi-Vermeulen,
t e g e n
1. [verweerster 1] ,
gevestigd te [plaats],
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTERS in cassatie,
advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 3000256\CV EXPL 14-4819 van de kantonrechter te Roermond van 22 april 2015;
b. het arrest in de zaak 200.174.643/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerster] c.s. toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 26 oktober 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
1 december 2017.