ECLI:NL:RBDHA:2024:5578
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om een familielid te bezoeken, maar de minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode vanwege onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel en twijfel over tijdige terugkeer.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht twijfelt aan de economische en sociale binding van eiser met Marokko, omdat eiser onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd van inkomsten of exploitatie van een onderneming. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser tijdig zal terugkeren.
Eiser stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, maar de rechtbank stelt dat het besluit voldoende is gemotiveerd en dat van horen kan worden afgezien bij een kennelijk ongegrond bezwaar.
De rechtbank volgt de minister in zijn ruime beoordelingsmarge en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende onderbouwing van sociale en economische binding en redelijke twijfel over tijdige terugkeer.