ECLI:NL:RBDHA:2024:5696
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij kennismigrant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn moeder, een kennismigrant met een verblijfsvergunning. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen op basis van een gewijzigde beslispraktijk sinds september 2022, waarbij het economisch belang van de kennismigrant niet langer doorslaggevend is en het jongvolwassenenbeleid strenger wordt toegepast.
De rechtbank heeft beoordeeld of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en een fair balance heeft gevonden tussen het belang van eiser en het belang van de Nederlandse samenleving. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de belangenafweging voldoende heeft gemotiveerd en dat er geen sprake is van onevenredige gevolgen. Het economisch belang van de kennismigrant is wel meegewogen, maar niet doorslaggevend.
Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn mentale gezondheid en gezinsbanden bij zijn moeder moet kunnen wonen en dat zijn moeder een moeilijk vervulbare functie heeft. De rechtbank acht deze argumenten onvoldoende onderbouwd en stelt dat de belangenafweging rechtmatig is uitgevoerd. Ook het argument dat eiser geen gebruik zal maken van door de overheid bekostigd onderwijs en dat hij een studie gaat volgen, leidt niet tot een ander oordeel.
Ten aanzien van de vermeende objectieve belemmeringen en de gezinsbanden met zijn broertje en zusje concludeert de rechtbank dat de staatssecretaris geen onjuiste toets heeft toegepast en dat er geen bijzondere afhankelijkheid is gebleken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard.