Eiser, verblijvend in Nederland sinds augustus 2019 met een verblijfsvergunning voor studie, verzocht om wijziging van zijn verblijfsdoel naar verblijf als familie- of gezinslid bij zijn vader op grond van het jongvolwassenenbeleid. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat eiser niet met zijn vader samenleefde in gezinsverband en er geen sprake was van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.
De rechtbank oordeelde eerder dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagde en dat eiser ten onrechte niet was gehoord. Na een aanvullend besluit bleef de afwijzing in stand, waarbij alsnog een belangenafweging werd gemaakt die in het nadeel van eiser uitviel.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris zich uitsluitend baseerde op het feit dat eiser en zijn vader niet op hetzelfde adres staan ingeschreven en onvoldoende rekening hield met andere relevante omstandigheden zoals het feit dat eiser vanwege studie tijdelijk elders woonde, financieel afhankelijk is en regelmatig contact onderhoudt. De motivering van de staatssecretaris is daarmee ondeugdelijk.
De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de staatssecretaris op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.