Eiseres, een Marokkaanse nationaliteit houdende vrouw, vroeg op 17 april 2023 een visum kort verblijf aan om bij haar referent in Nederland vakantie te vieren en de Nederlandse cultuur te leren kennen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van onvoldoende aannemelijkheid van het doel en gerede twijfel over het voornemen om Nederland tijdig te verlaten.
Eiseres stelde dat het bezwaar niet tijdig was behandeld en dat de ingebrekestelling niet prematuur was. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn rechtsgeldig was verlengd en dat de ingebrekestelling prematuur was, waardoor het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat de rechtsbijstand werd verleend door iemand uit hetzelfde huishouden.
Ten aanzien van het bestreden besluit oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht een vestigingsrisico aannam, mede omdat eiseres tijdens de beroepsfase een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had verkregen en de intentie had om zich permanent in Nederland te vestigen. De rechtbank vond dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond mocht verklaren en dat het visum terecht was geweigerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.