Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Turkse nationaliteit, kreeg op 11 april 2024 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat de overdrachtstermijn van zes maanden was verstreken en er geen rechtsgeldige verlenging was geweest. De rechtbank stelde vast dat de Zwitserse autoriteiten op 14 maart 2024 schriftelijk waren geïnformeerd over het vertrek van eiser met onbekende bestemming, waardoor de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening werd verlengd tot 18 maanden.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging rechtsgeldig was, mede omdat de gemachtigde van eiser in de Dublinprocedure op de hoogte was gesteld. De gronden voor de maatregel van bewaring waren voldoende en niet betwist door eiser. Verder was gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend was. Er was geen aanwijzing dat de maatregel onrechtmatig was geweest tot het moment van het sluiten van het onderzoek.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.