Eiser, een vreemdeling van Russische nationaliteit, is op 5 april 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen deze maatregel is beroep ingesteld, tevens met een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2024 behandeld en daarbij vastgesteld dat eiser op juiste wijze is geïnformeerd over de redenen van bewaring, onder meer via een Russische tolk en een informatiebrief.
De staatssecretaris heeft de bewaring gebaseerd op meerdere gronden: het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland (3a), het niet meewerken aan een overdracht aan Zweden ondanks een overdrachtsbesluit (3k), en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan (4d). De rechtbank oordeelt dat deze gronden samen een concreet aanknopingspunt vormen voor overdracht op grond van de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.
De rechtbank verwerpt de gronden 4a en 4c omdat onvoldoende is gemotiveerd welke verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit zijn geschonden en het verblijf in het asielzoekerscentrum als vaste woon- of verblijfplaats geldt. De belangenafweging van de staatssecretaris, ook met betrekking tot de medische situatie van eiser, is voldoende gemotiveerd. Er is geen lichter middel passend geacht.
De rechtbank constateert dat de staatssecretaris voortvarend handelt met zicht op overdracht, onder meer door een vertrekgesprek op dag vijf en een geplande overdracht op 15 april 2024. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.