ECLI:NL:RVS:2012:BW9093
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld wegens risico op ontduiking toezicht en vertrekbelemmering
De vreemdeling werd op 4 april 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken en de voorbereiding van zijn vertrek of uitzettingsprocedure zou ontwijken of beletten. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de vreemdeling de gronden van de bewaring niet had bestreden, waardoor het hoger beroep kennelijk gegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd. De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde vervolgens het besluit van 4 april 2012 opnieuw.
De Afdeling overwoog dat uit de grond dat de vreemdeling zich niet aan bepaalde verplichtingen heeft gehouden niet zonder nadere toelichting direct een risico op ontduiking van toezicht volgt. Omdat de minister dit niet nader had toegelicht, werd deze grond niet meegewogen. Wel achtte de Afdeling terecht dat het feit dat de vreemdeling meerdere asielaanvragen had ingediend die niet tot vergunning leidden, en dat hij geen zelfstandige middelen van bestaan heeft, voldoende gronden vormen om het risico op ontduiking van toezicht en belemmering van vertrek aan te nemen.
Daarmee faalde het beroep van de vreemdeling en werd het beroep ongegrond verklaard. Tevens wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.