Eisers, een Syrisch gezin met minderjarige kinderen, werden op 11 april 2024 in bewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een risico op onttrekking aan toezicht.
De rechtbank oordeelt dat de zware gronden (niet via voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen, weigering medewerking overdracht, noodzaak onmiddellijke overdracht) en lichte grond (geen middelen van bestaan) voldoende waren voor de bewaring. Echter, lichte gronden als het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van vaste woonplaats waren onvoldoende gemotiveerd.
Cruciaal is dat de rechtbank vaststelt dat de belangen van de minderjarige kinderen onvoldoende zijn meegewogen. De maatregelen van de ouders bevatten geen afweging van leeftijd, medische gesteldheid of algemene belangen van de kinderen, wat strijd oplevert met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het EHRM en benadrukt dat de belangen van kinderen voorrang moeten krijgen.
De staatssecretaris heeft onvoldoende blijk gegeven van de vereiste terughoudendheid bij vrijheidsontneming van gezinnen met minderjarigen. De bewaring wordt daarom onrechtmatig verklaard. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €2.400 voor zes dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt de staat tot betaling van proceskosten van €1.750.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman op 23 april 2024 te Groningen.