ECLI:NL:RBDHA:2024:6119
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de op 28 januari 2024 opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft deze maatregel reeds tweemaal eerder getoetst en oordeelde toen dat de maatregel rechtmatig was.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 8 maart 2024 rechtmatig is. Eiser betwist de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden en voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting. Ook stelt eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank stelt vast dat de gronden voor de bewaring eerder zijn beoordeeld en voldoende zijn bevonden. De omstandigheden die eiser aanvoert, zoals de zwangerschap van zijn vriendin, zijn reeds meegewogen en geven geen aanleiding tot opheffing. De staatssecretaris heeft bovendien op 28 maart 2024 opnieuw gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, wat wijst op voortvarendheid. De rechtbank ziet geen reden om het beroep gegrond te verklaren en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier J. de Graaf. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.